‘Met oog voor elkaars rollen en belangen de praktijk bekijken’

Landelijke Regietafel Migratie en Integratie

Aan de ‘Landelijke Regietafel Migratie en Integratie’ worden onderwerpen zoals de capaciteit voor de opvang van asielzoekers en de huisvesting van vergunninghouders besproken. 

Jetta Klijnsma

Theo Weterings

Milo Schoenmaker

Samen met het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het COA en de ministeries van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden aan deze regietafel onder voorzitterschap van de minister van Binnenlandse Zaken ontwikkelingen gedeeld en acties uitgezet. Brede samenwerking pur sang.


Een gesprek met drie deelnemers van deze regietafel: commissaris van de Koning Jetta Klijnsma (Drenthe), Theo Weterings (in zijn rol als lid bestuur van de VNG) en bestuursvoorzitter Milo Schoenmaker van het COA.

Over de regietafel en samenwerking

“In 2015-2016 kregen we te maken met een hoge asielinstroom”, begint Theo Weterings (VNG en burgemeester van de gemeente Tilburg). “Daar hebben we veel van geleerd. Dat we elkaar nodig hebben bijvoorbeeld. Ten tijde van die hoge instroom is een structuur opgezet met een landelijke regietafel en regionale regietafels, waar wordt besproken wat de knelpunten en oplossingen zijn.
De huidige instroom is niet vergelijkbaar met die periode, maar de overleg- en afstemmingsstructuur is er. Nu het COA aangeeft meer plekken nodig te hebben, kijken we via deze structuur gezamenlijk en gecoördineerd wat nodig is. Op deze manier bewaren we ook de rust.”


Namens alle commissarissen van de Koning zit Jetta Klijnsma als Rijksheer aan de Landelijke Regietafel. Als vooruitgeschoven post brengt zij de standpunten van de Rijksheren in en andersom koppelt ze vanaf de LRT informatie voor de Regionale Regietafels terug aan haar collega’s. “Ik denk dat alle betrokkenen streven naar een systeem waarin vluchtelingen zo snel mogelijk worden opgevangen”, zegt Klijnsma. “De praktijk is echter weerbarstig. We moeten met oog voor elkaars rollen en belangen deze praktijk bekijken en zoeken naar hoe we het voor de ander zo ‘makkelijk’ mogelijk kunnen maken om stappen voorwaarts te zetten. Dit betekent ook dat er korte lijnen moeten zijn en dat de informatie naar alle partners op orde dient te zijn.”


Milo Schoenmaker benadrukt: “Voor het COA is de regietafel een praktijkvoorbeeld dat wij er niet alleen voor staan bij uitdagingen zoals het vinden van voldoende capaciteit. In 2015-2016 en ook nu weer. We doen ons voordeel met de structuur die toen is neergezet. Samenwerking is essentieel en elkaar bijvoorbeeld treffen aan deze regietafel is van grote meerwaarde. Het lukte ons mede hierdoor om destijds iedereen een plek te bieden en ook nu weer weten we elkaar goed en snel te vinden.”

‘Samenwerking is essentieel en elkaar bijvoorbeeld treffen aan deze regietafel is van grote meerwaarde’

Over het snel realiseren van azc’s

“De toelating van asielzoekers is een verantwoordelijkheid van het Rijk”, aldus Weterings. “Maar om opvanglocaties te realiseren, zijn gemeenten hard nodig. Voor gemeenten kan de komst van een asielzoekerscentrum soms een uitkomst bieden bij een leegstaande plek en zorgt het tegelijkertijd voor werkgelegenheid. Gemeenten en inwoners kunnen gehecht raken aan een azc. Tegelijkertijd is het ook belangrijk om bij nieuwe azc's oog te houden voor de zorgen van inwoners, bijvoorbeeld als het om veiligheid gaat.”


Schoenmaker: “Voor het openen, heropenen en ook sluiten van locaties is het belangrijk dat we regelmatig in gesprek zijn met gemeenten over de ontwikkeling van de asielinstroom en bezetting op onze opvanglocaties. “Alleen door onze partners dicht bij ons te houden en samen op te trekken creëren we draagvlak voor ontwikkelingen waar we als organisatie mee te maken hebben. Het COA heeft een aantal criteria afgestemd met de Landelijke Regietafel die leidend zijn bij het openen van opvanglocaties zoals een evenredige spreiding over het land, ketenbelang, flexibiliteit, kwaliteit en duurzaamheid en financiën. Gezien de huidige krapte op de arbeidsmarkt, nemen we ook arbeidsmarktpotentie als intern criterium mee.”

Over het anticiperen op voldoende capaciteit

Weterings: “In Nederland slaagden wij er in 2015-2016 in om iedereen op te vangen, maar het vergde wat van alle betrokken partijen én onze samenleving zelf. Als VNG werken we daarom nu samen met het Rijk en het COA aan het Programma Flexibilisering Asielketen dat de opvang van asielzoekers anders gaat organiseren, zodat op- en afschalen van capaciteit beter te realiseren is. Een voorbeeld hiervan is dat opvanglocaties ten tijde van lagere instroom ook ingezet kunnen worden voor andere doelgroepen zoals studenten of personen die op korte termijn geschikte huisvesting nodig hebben, gelet op persoonlijke problematiek (bijvoorbeeld bij een scheiding). In het programma vindt ook sneller toewijzing van toegelaten asielzoekers naar een regio plaats. Voordeel is dat gemeenten daardoor vlugger kunnen beginnen met integratieactiviteiten voor betrokkenen.”

“Gemeenten moeten enerzijds hun nek uit durven steken, anderzijds moeten zij maximaal gefaciliteerd worden om de opvang te realiseren”, zegt Klijnsma. “Dit kan zoals gezegd met oog voor elkaars standpunten en belangen. Provincies hebben formeel geen rol in de opvang van asielzoekers. Zij zien wel toe op het huisvesten van statushouders. En dat is natuurlijk aan elkaar verbonden. Want als de statushouders geen woning krijgen toebedeeld door gemeenten, blijven ze langer dan nodig in de opvang.”


“Binnen het COA zijn veel collega's betrokken bij de totstandkoming van prognoses, scenario's en capaciteitsadviezen”, vertelt Schoenmaker. “Er wordt vanuit verschillende perspectieven gekeken naar capaciteitsvraagstukken. Hierdoor zijn we samen beter voorbereid op onverwachte schommelingen in onze bezetting. Twee keer per jaar nemen we als bestuur een capaciteitsbesluit. Dit besluit wordt gebaseerd op de meest waarschijnlijke ontwikkeling van de bezetting. En we maken op basis van de Meerjaren Productie Prognose (MPP) een prognose van de eigen bezetting. De MPP zelf wordt door het ministerie van JenV en de ketenpartners gemaakt en geeft een beeld van de mogelijke instroom van asielzoekers, het ketenproces van IND, COA en DT&V, en de uitstroom naar gemeenten.”

Over alternatieve oplossingen

Weterings: “Op dit moment is de grootste oorzaak voor het tekort aan bedden voor asielzoekers de achterstand in de asielprocedure. Dit heeft tot gevolg dat asielzoekers soms lang moeten wachten voordat hun aanvraag is afgehandeld. Een snelle en zorgvuldige asielprocedure zorgt er voor dat mensen snel kunnen doorstromen óf terugkeren. Een groot gedeelte van de huidige aanvragen wordt immers niet toegekend.”


Klijnsma: “Om in de toekomst beter in te kunnen spelen op wisselende instroom is het van belang dat er meer reservecapaciteit komt en dat zoals Theo Weterings noemde deze capaciteit ook voor verschillende doelgroepen kan worden ingezet wanneer de instroom laag is. Hieraan wordt inmiddels ook hard gewerkt in het Programma Flexibilisering Asielketen. Ik denk dat we daarmee op de goede weg zijn.”


Schoenmaker: “Allereerst onderschrijf ik graag het pleidooi van Jetta Klijnsma voor meer reservecapaciteit. Afgelopen jaar mocht het COA slechts een kleine buffer aanhouden. We pleiten zelf voor een grotere buffer. Ik noem graag ook een voorbeeld van mooie samenwerking; vlak voor de eerste landelijke maatregelen in het kader van het coronavirus stonden we op het punt om twee evenementenhallen te openen, met grote dank aan de betrokken gemeenten (Leeuwarden en Goes). We hebben met het oog op corona versus de veiligheid van onze bewoners moeten besluiten deze hallen vooralsnog niet te openen. Maar tegelijk zagen we hier wederom dat we samen met gemeenten steeds weer alternatieven weten te vinden. Complimenten aan deze twee gemeenten! Dit soort samenwerking geeft elke keer weer vertrouwen in de toekomst. Zo valt tevens – hoewel het een voorbeeld is van een tijdelijk alternatief - de snelle realisatie van de noodonderdakvoorziening in de Groningse gemeente Het Hogeland te prijzen, mede dankzij de goede samenwerking met Defensie. Deze opvang is in maart 2020 in een heel korte tijd gerealiseerd voor vreemdelingen die in Nederland arriveren. Zij hebben vanwege het coronavirus momenteel geen toegang meer tot de asielprocedures en COA-opvang.”

Over het huisvesten van vergunninghouders

“Gemeenten krijgen twee keer per jaar een taakstelling gebaseerd op inwonersaantal”, vertelt Weterings. “Vervolgens wordt er zo snel mogelijk naar een woning gezocht. Het is in de huidige woningmarkt, met veel woningzoekenden, niet altijd even makkelijk om een passende en betaalbare woning te vinden. In samenspraak met de woningbouwcorporaties krijgen gemeenten het toch meestal voor elkaar.

Het echte werk voor gemeenten begint pas na de toewijzing met maatschappelijke begeleiding en begeleiding richting integratie en werk. En gemeenten helpen nieuwkomers niet alleen met het vinden van een fysieke plek, maar ook met het vinden van werk en hun nieuwe thuis in de Nederlandse samenleving.”


“Ik pleit ervoor om statushouders met voorrang uit de azc’s te halen en indien nodig in tussenvoorzieningen te plaatsen”, zegt Klijnsma. “Het liefst in de buurt van de gemeenten waar ze uiteindelijk aan gekoppeld worden. Dit creëert namelijk meteen lucht in de reguliere azc’s en kan voor gemeentebestuurders een enorme handreiking zijn. Bovendien kunnen statushouders hierdoor veel sneller inburgeren.”


Schoenmaker tot besluit: “Vaak gaat veel aandacht uit naar de uitdagingen die we hebben om voldoende opvangcapaciteit te vinden. Ook aan de Landelijke Regietafel. Daardoor sneeuwt nog weleens onder dat het COA ook heel veel doet aan de begeleiding van onze bewoners, ongeacht of ze nou moeten terugkeren, nog in de asielprocedure zitten of een verblijfsvergunning hebben gekregen. We hebben tal van programma’s op maat. Daarmee zijn, als het om vergunninghouders gaat, mensen al tijdens hun verblijf bij het COA zo goed als mogelijk voorbereid op hun overgang naar een gemeente. Gewonnen tijd! Het COA zorgt ook voor een zogenaamde ‘warme overdracht’ aan gemeenten. Ook hier hebben we elkaar hard nodig en is samenwerking essentieel. Ik zeg niet voor niets herhaaldelijk dat gemeenten een van onze belangrijkste samenwerkingspartners zijn, op tal van terreinen.”